Alles over Spelen Kabelbaan
Kabelbaan
Met een kabelbaan kun je staand, zittend of hangend van de ene naar de andere kant zweven. Het zitje zit met een katrol vast aan een kabel die tussen 2 punten opgehangen is.

Voor kabelbanen gelden 'Eisen voor alle speeltoestellen' en daarbij extra aanvullende eisen:
EN 1176-4: Aanvullende bijzondere veiligheidseisen en beproevingsmethoden voor kabelbanen.

Katrol
De katrol of loopkat is de verbinding van het zitje aan de kabel. Bij de katrol kan afklemming optreden. Scherm daarom de openingen goed af zodat er geen vingers tussen kunnen komen.
De katrol mag niet los kunnen komen bij gebruik.

Kabel
Kies voor de kabel altijd een verzinkte of roestvaste staalkabel met een staaldraadkern. Kabels rekken altijd na verloop van tijd. Om die reden moet de kabel nastelbaar zijn zodat een te grote doorhang wordt voorkomen.

Bron: Handboek veiligheid van speelgelegenheden

Beknellen

  • Het is heel belangrijk dat een gebruiker bij het startpunt niet vast kan blijven hangen met bijvoorbeeld een koordje van een jas.
  • Het zitje of de greep om te hangen moet flexibel zijn of het moet voldoen aan de volgende eisen:
- Bij een kabelbaan waar je op kunt zitten: Het zitje moet minimaal 400 mm van de grond hangen (bij 130 kg belasting);
- Bij een kabelbaan waar je aan moet hangen: Bij het startpunt moet de greep mimimaal 1500 mm van de grond hangen. Het ophangpunt van de kabelbaan moet minimaal op 2500 mm hangen. Halverwege moet de greep (zonder gewicht erop) tussen de 2000 en 3000 mm van de grond hangen.
  • Om ervoor te zorgen dat kinderen altijd los kunnen laten mag de greep nooit een vorm van een lus hebben. Een zitje moet zo ontworpen zijn dat kinderen er altijd vanaf kunnen. Natuurlijk mag een kind nooit verstrikt kunnen raken in een kabel, het zitje of een greep;
Vallen
  • De valhoogte vanaf een zitje tot aan de grond mag nergens meer dan 2000 mm zijn. Vanaf een greep waar kinderen aan kunnen hangen tot aan de grond is dat 3000 mm. Om de maat te meten mag het zitje of de greep niet belast worden. De schokdemping van de bodem moet afgestemd zijn op de grootste valhoogte bij het toestel;
  • De valruimte van een kabelbaan is een gebied van 2000 mm aan elke kant en 2000 mm achter de maximale uitzwaai van de greep of het zitje. Deze valruimte moet vrij zijn van obstakels zoals stoepranden, boomstronken of andere obstakels die een vallend kind kunnen bezeren.
  • Voor trappen en balustrades gelden de algemene eisen voor trappentrappen en balustrades. De leuning of balustrade mag echter het gebruik van de kabelbaan niet belemmeren. Dat kan bijvoorbeeld door daarin een onderbreking aan te brengen.
  • Kinderen mogen niet op de greep kunnen klimmen;
  • De greep moet voldoen aan de eisen voor handgrepen: tussen de 16 en 45 mm;
Botsen
Bij kabelbanen kunnen vervelende botsingen ontstaan als kinderen de baan oversteken.
  • Kabelbanen die parallel staan moeten minimaal 2000 mm uit elkaar staan (gemeten tussen de 2 kabels);
  • Om de gevolgen van een botsing met het zitje te beperken moet het zitje schokabsorberend zijn. De grepen en handvatten van het zitje moeten een oppervlak van minimaal 15 cm2 hebben. Daarnaast is de maximale snelheid 7 m/s. Het zitje of de greep (om te hangen) moet bij het begin en het einde langzaam stoppen. Het zitje of de greep mag hierbij niet meer dan 45o door kunnen zwaaien;
  • De afstand tussen het zitje en de kabel moet minimaal 2100 mm zijn;
  • Een strak gespannen kabel kan tot gevolg hebben dat de snelheid aan het einde nauwelijks geremd wordt. Een doorhangende kabel is daarom veiliger;
Adviezen
Kabelbanen kunnen het beste aan de zijkant van de speelgelegenheid worden geplaatst. Plaats in elk geval geen kabelbaan over looproutes. Wij adviseren u de gebruiksruimte af te schermen zodat kinderen niet ongewaarschuwd de baan kunnen oversteken.
De katrol moet regelmatig op slijtage gecontroleerd worden. Ga er bij de controle van uit dat er minimaal 2 kinderen tegelijk op het zitje springen.
Zoeken
zoek